Ridders: training, oorlogsvoering en angst
door Jogchem Dijkstra
In dit artikel wordt uitgelegd hoe ridders in de dertiende eeuw getraind werden, welke motieven zij hadden om oorlog te voeren en wat hun angsten waren.
_________________________________________________________________________________
De dertiende-eeuwse ridder vindt zijn oorsprong in de zware cavalerie van Karel de Grote. Aangezien de prijs van een complete uitrusting gelijk stond aan vijftien merries of drieëntwintig ossen kon slechts een kleine elite deel uitmaken van deze cavalerie. De zware cavalerie werd toen bijgestaan door een grotere hoeveelheid lichte cavalerie. Door de groei van de welvaart werd het aandeel zware cavalerie steeds groter. Niet alleen ridders vormden de zware cavalerie, maar ook strijders die geen vazallen waren, zoals huurlingen, vochten mee. Zo gaf een prins soms maliënkolders aan krijgers in zijn gevolg die geen vazallen waren.
Gedurende de hele middeleeuwen werden ridders tijdens een veldtocht betaald door hun prins. Behalve een vast bedrag per dag werden soms ook verloren paarden vergoed. Het salaris hing af van de uitrusting van de ridder. Zo betaalde Filips IV van Frankrijk in de oorlogen tussen 1294 en 1299 een schildknaap met een bepantserd paard 12s 6d tournois per dag, en anderen kregen slechts 5s (zie 'Franse pond').
Ridders en schildknapen tezamen werden 'armures de fer' genoemd, omdat zij maliënkolders droegen. Vanaf het midden van de dertiende eeuw werden deze verstevigd met stalen platen. Het aantal ridders bereikte een hoogtepunt in de elfde en het begin van de twaalfde eeuw. Hun aantal nam in de dertiende eeuw sterk af, maar diegenen die overbleven waren wel veel rijker dan de elfde-eeuwse ridders.
_________________________________________________________________________________
Franse pond
In het gebied waar de Franse koningen heersten werd als standaardmunt de livre parisis gebruikt. Het graafschap Anjou gebruikte daarentegen de livre tournois. Vanaf 1203 viel Anjou weer onder Franse heerschappij en werden in Frankrijk beide ponden gebruikt. De wisselkoers was £4 parisis tegen £5 tournois. Beide ponden waren onderverdeeld in 20 sols, die ieder verdeeld waren in 12 deniers.
Om inzichtelijk te maken wat de waarde van een Franse pond was kunnen we kijken naar de waarde van de paarden van Geraard de Moor, heer van Wessegem. In 1297 zijn deze namelijk getaxeerd voor een toernooi. Een paard om mee te reizen, dus geen strijdros, kostte ongeveer £10. Hijzelf had zes strijdrossen die tussen de £120 en £300 parisis waard waren. De paarden van zijn vijf schildknapen kostten tussen de £12 en £50. In zijn gevolg waren nog vijftien krijgers, wiens paarden een waarde tussen de £16 en £120 hadden.
De livre tournois werd in de dertiende eeuw de belangrijkste munteenheid voor boekhouding en is dit gebleven tot in de Franse Revolutie, toen de daadwerkelijke munt al lang niet meer bestond.
Bron: Wikipedia
_________________________________________________________________________________
Individuele training
Ondanks de vele fabels die er leven over de middeleeuwen is er ook een verhaal dat wel waar is. Ridders begonnen hun loopbaan inderdaad vrijwel altijd als schildknaap. Een zoon van een ridder werd naar een andere ridder, meestal een familielid of hechte vriend, gestuurd om opgeleid te worden als schildknaap. Een schildknaap kon in principe zijn hele leven schildknaap blijven door te voorkomen dat hij geridderd werd. Dit klinkt als een rare keuze, maar in de dertiende eeuw kostte het zo ongeloofijk veel geld om ridder te zijn dat veel schildknapen niet geridderd wilden worden.
Tijdens zijn training leerde de schildknaap ten eerste paardrijden, speerwerpen en zwaardvechten. Verder was natuurlijk het lanssteken een onmisbare vaardigheid. Dit werd onder meer getraind op een quintaine die ronddraait, zoals we die uit de film kennen. Echter, met een dergelijke quintaine leert de ruiter alleen behendigheid en richten, niet hoe het is om een echte schok op te moeten vangen. Om die reden werd er een schild op een paal gebruikt dat doorboord moest worden. Bij een verkeerde hoek van inval of te weinig snelheid en kracht breekt de lans of glijdt deze van het schild.
Enkel technieken leren was niet genoeg om mee te kunnen vechten in een oorlog. Om ook de benodigde tactieken op te doen was het nodig om met meerdere ridders en schildknapen als een eenheid te trainen. Gedurende de middeleeuwen waren er twee mogelijkheden om in een 'veilige' omgeving gevechtservaring op te doen: meevechten in een vete of deelnemen aan toernooien. De vetes werden onder andere door de kerk de kop ingedrukt. Dus in de dertiende eeuw waren voornamelijk de toernooien belangrijk voor de training van ridders.
Gezamenlijke training in toernooien
Oorlogsspellen zijn al zo oud als oorlog zelf. Commandanten probeerden in trainingen zo goed mogelijk een echt oorlog na te spelen om de soldaten voldoende voor te bereiden op het slagveld. In de twaalfde eeuw werd gedacht dat het toernooi zoals het toen gehouden werd uitgevonden was door een zekere Geoffry van Preuilly, die in 1066 stierf. Bij de cavalerietrainingen die voor de elfde eeuw door bijvoorbeeld de Saksen en Bretoenen werden gehouden was er geen daadwerkelijk gevecht. Het bleef hier bij manoeuvres en op het laatste moment de aanval inhouden en afwenden.
Het grootste verschil tussen oorlog en toernooi in de dertiende eeuw was dat de slag plaatsvond op een van te voren afgesproken terrein en de partijen konden uitrusten op daarvoor afgesproken plaatsen. Verder werden er dezelfde wapens gebruikt als in een oorlog. De bepantsering was goed genoeg om niet makkelijk gewond te raken, dus het gevaar lag er vooral in om van een paard te vallen en overreden te worden. Ook was er de afspraak dat als iemand de wapens neergooide hij niet meer aangevallen mocht worden, al werd hij dan natuurlijk wel meteen gevangen genomen.

Op een internationaal toernooi was het de gewoonte dat ridders uit hetzelfde land aan dezelfde kant streden. Vlamingen en Henegouwers vochten gewoonlijk samen tegen Fransen. Zo werd er schande gesproken van Boudewijn van Henegouwen, die in een toernooi aan de zijde van de Fransen vocht tegen Filips van Elzas van Vlaanderen.
In toernooien vochten ridders, net als in een echte veldslag, in conrois, dichte eenheden. Sommige aanvoerders, zoals Filips van Elzas, gebruikten zelfs infanterie-eenheden. Er werd dus niet of nauwelijks één op één gevochten.
_________________________________________________________________________________
Ik zeg het u: ik vind minder smaak in
Eten, drinken of slapen
Dan wanneer ik aan weerskanten 'Hierheen'
Hoor schreeuwen, en ik paarden hoor
Hinniken, zonder ruiter, in de schaduw,
En 'Help, help' hoor roepen
En in de grachten rijk en arm
Zie vallen in het gras,
En de doden zie, met in hun flank
Een stuk lans met een wimpel eraan.
Bertran de Born († ca. 1215)
Ondanks het feit dat de ridders de oorlogsmachines van de middeleeuwen waren en ze zulk soort gedichten schreven voelden ook zij de angst op het slagveld. Dat blijkt bijvoorbeeld uit wat de Bedoeïenen over de kruisvaarders zeiden: 'De Franken dragen een harnas omdat ze bang zijn voor de dood!'
Angst voor de dood, verwonding of verminking is het grootste probleem dat bij oorlogsvoering moest worden opgelost. Elke individuele soldaat moet over zijn angst geholpen worden, terwijl ze de vijand juist angst moeten inboezemen. In sommige gevallen was het erger om te vluchten dan te vechten. Zo gaf Boudewijn van Boulogne het volgende advies voor de slag bij Ramla in 1101: 'Ontsnappen heeft weinig zin, want Frankrijk is te ver weg.'
Als de individuele angst onbeteugeld bleef kon deze omslaan in paniek, wat rampzalige gevolgen kon hebben voor een leger. Als één eenheid op de vlucht sloeg volgden er al snel meer. In de slag bij Akko in 1189 probeerde bijvoorbeeld een aantal Duitse ridders een Arabische volbloed te vangen, maar een deel van de kruisvaarders zag dit aan voor een vlucht en raakte, ondanks het feit dat ze aan de winnende hand waren, in paniek.
De angst van ridders voor voetvolk was groter dan hun angst voor andere ridders. Dit had twee redenen. Ten eerste kon een goed gedisciplineerde eenheid infanterie met lange wapens een muur vormen waar de ridders niet doorheen kwamen. Dit deden de van Renaud de Dammartin in de slag bij Bouvines in 1214. Zij vormden een cirkel van twee rijen diep, die de Franse ridders niet durfden aan te vallen met hun kortere wapens. Ten tweede deinsden voetsoldaten er niet voor terug om ridders te vermoorden, dit in tegenstelling tot de ridders zelf, die elkaar vaak gevangen namen voor losgeld.
Ondanks de gevaren van het oorlog voeren wisten de middeleeuwse heersers toch grote aantallen vrijwillige vechters te verzamelen. Hiervoor zijn zeven verschillende redenen aan te voeren, waarvan de goede bewapening en de solidariteit van de clan de belangrijkste zijn.
_________________________________________________________________________________
Eigenbelang en oorlogsbuit
Vooral de armere ridders grepen tijden van oorlog aan om zich te verrijken door middel van het plunderen van dorpen en overvallen van kooplieden. Ook waren de heersers dan veel vrijgeviger en zagen ze meer door de vingers.
Bekwame leiders
Leiders als Godfried van Bouillon, Raymond van Toulouse en Jan van Renesse konden vanwege hun charisma of tactisch inzicht anderen inspireren tot grootse daden.
Eer- en plichtsgevoel
Van het slagveld vluchten werd gezien als een aantasting van de eer van de vluchteling en zijn familie. Roeland was hier natuurlijk één van de grote voorbeelden.
Ruw gedrag en ridderlijke gebruiken
Vooral in de elfde en twaalfde eeuw was het leven van een ridder zwaar en waren er zoveel oorlogen dat een mensenleven niet veel waard was. Daardoor groeiden zij op tot genadeloze strijders, zoals bijvoorbeeld het gebruik tijdens de Eerste Kruistocht om de hoofden van vijanden op lansen rond te dragen lijkt te ondersteunen.
Geloof en religieuze overtuiging
Geloof en oorlog waren nauw met elkaar verboden. Zo werd er voor vrijwel elke veldslag een mis gehouden, met communie en biecht. Ook riep men tijdens een slag de hulp in van heiligen of God zelf om hun angst te onderdrukken. Verder waren ook veel strijdkreten christelijk van aard, zoals Diex aie, Adiuta Deus, Saint sépulchre, en Christus vincit, Christus regnet, Christus imperat.
Bewapening
Door de goede bepantsering van ridders vielen er in een veldslag vrij weinig doden onder hen. De moslims werden bijvoorbeeld naakt of onbewapend (desarmée) genoemd, in tegenstelling tot de kruisvaarders die bewapend waren.
Solidariteit
Het hoofd van een familie was ook een militaire leider. Een eenheid binnen een leger bestond vaak uit een landheer met zijn familieleden en vazallen. Vazallen die zelf geen land hadden woonden in zijn kasteel en vormden daardoor een onderdeel van de familie. Omdat deze ridders veel met elkaar optrokken vormden zij een hechte eenheid en lieten ze elkaar niet snel in de steek op het slagveld.
Bron:
J.F. Verbruggen - The Art of Warfare in Western Europe during the Middle Ages from the Eighth Century to 1340
_________________________________________________________________________________
|